Twee meisjes van een jaar of tien renden op me af. "Heb je een sigaret?" De blauwe, lieve ogen van het blonde meisje passen totaal niet bij enig stereotype over sociaal uitgesloten gezinnen. Dit is geen wereld van stereotypen — dit is de realiteit van Praag, Tsjechië.
Hotel Condor leek de enige oase van beschaving in de wijde omgeving. Oravita bleek een stad te zijn waar niets te vinden is. (Les voor de toekomst: op een kaart wijzen en zeggen dat we hier wel kunnen slapen omdat het halverwege punt Y ligt, is niet de ideale manier van plannen.)
Tijdens onze rit van Pitești naar Târgu Jiu viel het me voor het eerst op. We reden door dorpjes die eigenlijk niets meer waren dan een rij huizen langs de hoofdweg — zonder centrum, zonder pleintje, zonder iets wat je visueel als dorp zou herkennen. Al snel begrepen we waarom.
We reden weg van de luchthaven van Boekarest, richting Târgu Jiu. In het verkeer hobbelden we over een snelweg waarlangs niets te zien was — afbladderende muren, vervaagde reclameborden op vervallen huizen en gele velden met verschroeide grassen. Nergens bergen. Nergens iets. De goddelijke romantische Roemeense natuur begon hier absoluut niet.