Ik moet de hele tijd glimlachen. We hebben deze ziekte te pakken gekregen zodra we hier aankwamen. De mondhoeken schoten omhoog en nestelden zich daar alsof dat hun natuurlijke positie is. Hier lacht iedereen — welkom in St. John's, Newfoundland, Canada.
De paprikaverkoper zwaait naar me. "Wat doe je?" "De heer wil op de foto met een paprika." We dwalen door een markt in de rommelige stad Targu Jiu, terwijl Roemenië ons steeds meer verrast — soms aangenaam, soms minder.
Tijdens onze rit van Pitești naar Târgu Jiu viel het me voor het eerst op. We reden door dorpjes die eigenlijk niets meer waren dan een rij huizen langs de hoofdweg — zonder centrum, zonder pleintje, zonder iets wat je visueel als dorp zou herkennen. Al snel begrepen we waarom.
We reden weg van de luchthaven van Boekarest, richting Târgu Jiu. In het verkeer hobbelden we over een snelweg waarlangs niets te zien was — afbladderende muren, vervaagde reclameborden op vervallen huizen en gele velden met verschroeide grassen. Nergens bergen. Nergens iets. De goddelijke romantische Roemeense natuur begon hier absoluut niet.