Hotel Condor leek de enige oase van beschaving in de wijde omgeving. Oravita bleek een stad te zijn waar niets te vinden is. (Les voor de toekomst: op een kaart wijzen en zeggen dat we hier wel kunnen slapen omdat het halverwege punt Y ligt, is niet de ideale manier van plannen.)
De paprikaverkoper zwaait naar me. "Wat doe je?" "De heer wil op de foto met een paprika." We dwalen door een markt in de rommelige stad Targu Jiu, terwijl Roemenië ons steeds meer verrast — soms aangenaam, soms minder.
Tijdens onze rit van Pitești naar Târgu Jiu viel het me voor het eerst op. We reden door dorpjes die eigenlijk niets meer waren dan een rij huizen langs de hoofdweg — zonder centrum, zonder pleintje, zonder iets wat je visueel als dorp zou herkennen. Al snel begrepen we waarom.
We reden weg van de luchthaven van Boekarest, richting Târgu Jiu. In het verkeer hobbelden we over een snelweg waarlangs niets te zien was — afbladderende muren, vervaagde reclameborden op vervallen huizen en gele velden met verschroeide grassen. Nergens bergen. Nergens iets. De goddelijke romantische Roemeense natuur begon hier absoluut niet.